Democdrama
Apr 9th, 2008 by marbel
Een lange post, en alleen leuk voor degenen die geïnteresseerd zijn in de Amerikaanse verkiezingen. Maar ik heb inmiddels zoveel uur besteed aan dingen uitzoeken, nakijken en verder uitpluizen dat ik het net zo goed hier kan posten. Waarbij ik natuurlijk aan wil tekenen dat ik verre van onfeilbaar ben, dus als ik ergens toch de mist in ben gegaan met het uitzoekwerk, of als mensen mijn interpretatie niet delen, hoor ik dat graag.
De Amerikaanse voorverkiezingen zijn een soort Elfstatentocht. Hoe eerder jouw bevolking de stem uitbrengt, hoe belangrijker die stem voelt. Hoe later de Staat stemt, hoe groter de kans dat het er niet meer toe doet omdat de winnaar al duidelijk is, of misschien zelfs al uitgeroepen is. Dat is niet alleen belangrijk vanwege de invloed op wie er gaat winnen, maar dat is ook belangrijk voor de economie. Een actieve campagne betekent miljoenen dollars extra inkomsten voor een Staat. Niet alleen door de promotionele acties, maar ook omdat iedereen die bij de campagne betrokken is gehuisvest moet worden, moet eten, etc. Daarnaast is al die extra aandacht voor een Staat ook al reclame. Het is dus fijn om eerder aan de beurt te zijn.
Indiana en North Carolina krijgen bijvoorbeeld een bonus (30 procent meer stemrecht) omdat ze pas laat in mei hun voorverkiezingen houden. Een aantal staten mag standaard op “Super Tuesday” stemmen en op die dag wordt dus minstens een kwart van de ‘delegates’ (kieskundigen) verdeeld over de kandidaten. Dit is dus meestal de belangrijkste dag van de voorverkiezingen. En een paar staten mogen standaard eerder stemmen dan Super Tuesday. Voor Iowa en New Hamphire is dat een belangrijk voordeel.
Florida en Michigan hebben alletwee om verschillende redenen besloten om hun voorverkiezingen te vervroegen. Standaardstraf voor het vervroegen van de verkiezingen is dat het stemrecht van de staat gehalveerd wordt; 50% minder afgevaardigden of alle afgevaardigden maar een halve stem. Tegelijkertijd zijn zowel Florida als Michigan belangrijke Staten in de presidentsverkiezingen omdat ze veel kieskundigen leveren aan de winaar. Die stemmers wil je dus als partij wel te vriend houden.
Bij Michigan vonden een aantal mensen uit het bestuur al veel langer dat een belangrijke staat als Michigan niet moest achterlopen bij kleinere staten als Iowa en New Hampshire, waarbij die alle aandacht en campagnegelden krijgen. Daarnaast was er ook nog discussie over of ze moesten kiezen voor ‘primaries’ (stembiljetten) of ‘caucussen’ (bijeenkomsten met hoofdelijke stemming). Bij een primary stemmen de meeste mensen, omdat een causus ingewikkelder is en veel meer tijd en moeite kost, maar een causus is goedkoper voor de Staat.
Bij de democraten wilden degenen die Hillary Clinton het beste vonden een primary, omdat ze in de polls een ruime voorsprong had op de andere kandidaten in Michigan. De campagneleider van John Edwards (David Bonior), was een voormalig congressman uit Michigan die sterke banden had met de vakbonden. Vakbonden zijn belangrijk voor een causus, omdat de organisatie in het veld daar erg veel uitmaakt en je op die manier relatief meer invloed kunt uitoefenen op hoeveel stemmen je kandidaat krijgt.
Bij Florida waren alle uiteindelijke beslissers Republikeins en hoewel er democraten waren die het eens waren met de vervroeging van de voorverkiezingen was het uiteindelijk de republikeinse meerderheid die de doorslag bood. Daarnaast speelden er nog twee andere zaken een rol. Er zou namelijk in deze Staatsverkiezingen niet alleen gestemd worden voor een presidentskandidaat, maar ook over een belastingwijziging *en* over een aanpassing om de verkiezingen in alle districten van een betere controle te voorzien; geen touchscreen machines meer, maar een papieren stembiljet dat gescand gaat worden. Het (iewat gezochte) argument was dat er genoeg aandacht moest komen voor die punten en als de verkiezingen op ’super tuesday’ zouden worden gehouden zou dat moeilijker zijn.
De Republikeinse partij heeft Florida en Michigan bestraft met de normale sanctie, en hun stemkracht gehalveerd. Het bestuur van de Democratische partij heeft echter vrij onverwachts besloten om Florida en Michigan zwaar te straffen en *al* hun stemmen weg te nemen. Daarnaast hebben de 4 grote kandidaten (waaronder Hillary en Barack) plechtig beloofd om geen campagne te voeren in Florida en Michigan.
Obama heeft de andere kandidaten overgehaald om in Michigan hun naam van het biljet te laten halen met als extra argument dat het zou zou helpen bij de mensen in Iowa, die zich immers zwaar benadeeld voelden door de primary-verplaatsing terwijl zij eigenlijk als eersten mochten stemmen.
Hillary moest kiezen tussen de Iowanen gunstig stemmen of haar naam op het biljet houden in geval ze de gedelegeerden toch zouden gaan tellen en koos voor het laatste. Aangezien ze ruim op kop stond in de voorspellingen en dus het meeste nadeel van die maatregel had, heeft ze zich vanaf het begin ingezet om de gedelegeerde kieskundigen toch mee te laten doen. Nu ze alletwee zo ver zijn en zo dicht bij elkaar staan is die roep natuurlijk alleen maar sterker geworden - terwijl het voor Obama tot hij met zekerheid weet of hij gaat winnen uitermate belangrijk is dat ze niet meetellen.
De hogere Democratische machten hebben echter nog een extra hindernisje ingebouwd. Eigenlijk is het een veiligheidsmaatregel om ervoor te zorgen dat de beste kandidaat echt gekozen gaat worden. In 1984, na 10-15 jaar van ruzies en rechtszaken als gevolg van de voorverkiezingen, besloten de Democraten te kiezen voor proportionele vertegenwoordiging (kieskundigen naar rato van het procent van de stemmen dat je wint) gecombineerd met kiesdrempels (15% van de stemmen anders tel je niet mee) en een extra stem voor “party leaders and elected officials” oftewel PLEOs - beter bekend onder de naam ’superdelegates’ . Op de convententie waar de uiteindelijke kandidaat wordt gekozen brengen ze ongeveer 20% van de stemmen uit.
PLEO’s mogen op de grote partijconventie in Augustus OOK op een kandidaat stemmen. Tot nu toe was tegen die tijd al lang bekend wie de winnaar was, dus is het nog niet echt belangrijk geweest. Maar dit jaar zou alleen Obama nog maar zonder superdelegates kunnen winnen als Hillary stante pede uit de race stapt. Als ze dat niet doet (en ze zou wel gek zijn) kan géén van de twee overgebleven kandidaten winnen zonder de superdelegates mee te laten tellen.
Maar hoe moeten die superdelegates stemmen? “Ze moeten de wil van de kiezers volgen” wordt er veel gezegd. Maar ja, als die heel duidelijk was dan was er ook al een winnaar geweest - en niet iedere PLEO heeft een duidelijk gebiedje om te vertegenwoordigen. Ze zouden het partijbelang moeten volgen en de kandidaat kiezen die de beste kans heeft om de uiteindelijke presidentsverkiezingen te winnen. Maar hoe bepaal de dat? Met het representatieve systeem loopt Obama ligt voor qua kiesgedelegeerden, maar er zijn wanhopigen die zeggen dat Hillary ruim wint als het ‘winner takes all’ systeem zou worden gevolgd zoals in de eigenlijke verkiezingen.
In de ‘popular vote’ claimen beide partijen dat ze voorlopen, maar daar zijn ook diverse verschillende mogelijkheden om de stemmen te tellen. Kijk je naar het aantal daadwerkelijke stemmen? Of kijk je naar het aantal kiezers dat per gewonnen kieskundige bij jouw kandidaat mee mag worden geteld? Net als bij onze provinciale staten zit er immers verschil in de ’stemzwaarte’ en dus in het aantal kiezers dat een kieskundige vertegenwoordigt.
Beide kandidaten zijn natuurlijk als een idioot aan het lobby-en om zoveel mogelijk superdelegates aan hun kant te krijgen. Zoals bij alle politieke manouvres is dat een ingewikkeld spel met gunsten, connecties en uit te delen voordelen. Hillary had altijd het voordeel dat ze de partijbonzen goed kende en een netwerk opgebouwd had. Daarnaast zal vast Bill nog wel een paar oude gunsten te incasseren hebben, maar dat is in de snel veranderende politieke stromingen niet iets waar je echt op kunt gaan rekenen. Obama heeft het voordeel dat hij ‘hip’ is, dat hij geen Clinton is (langer meedraaien betekent nu eenmaal ook meer vijanden maken) en dat hij meer geld heeft.
Both McCaskill and Matsui are among the nearly 800 superdelegates who’ll have a big say in who heads the Democratic ticket this fall. While both women say the PAC contributions didn’t influence their choice for president, a study by the Center for Responsive Politics concludes that campaign contributions have become a fairly reliable predictor of whose side a superdelegate will take.
And if that’s the case, it’s good news for Obama. Since 2005, his PAC has donated $710,900 to superdelegates, more than three times as much as Clinton’s PAC has. Her PAC distributed $236,100 to superdelegates during the three-year period.
The study found that the presidential candidate who gave more money to the superdelegates received their endorsements 82 percent of the time. That’s based on a review of elected officials who are serving as superdelegates and who’d endorsed a candidate as of Feb. 25.
Eigenlijk zouden ze natuurlijk moeten kijken naar hoe ‘electible’, hoe verkiesbaar, de kandidaten zijn. Wie heeft de meeste kans om het te winnen van de Republikeinse tegenstander? Wordt het de eerste vrouw als president, de eerste zwarte president of gewoon toch weer McCain? Obama heeft meer staten en meer delegates, maar die vertegenwoordigen minder kiezers dan de delegats in het Clinton-kamp en een aantal bestaan uit Staten die bij de echte presidentsverkiezingen zeker Republikeins zullen stemmen en de meeste grote ’swingstates’ (die beide kanten op kunnen gaan) kozen voor Hillary - of werden in het Florida geval niet meegeteld. Het blijft dus reuze spannend voorlopig. Als ik tijd heb zal ik misschien ook nog wel een post doen over de kandidaten en mijn mening
